Wanneer variatie verstomt
Over gezonde beweeglijkheid, en wat haar verlies ons kan vertellen — een blik op variabiliteit als diagnostisch signaal.
Een hart dat altijd hetzelfde slaat, is zelden een gezond hart. Cardiologen begrijpen dit al sinds de jaren tachtig: een rijk gevarieerde hartritmevariabiliteit is teken van een fit autonoom zenuwstelsel, terwijl een verarming van die variabiliteit doorgaans wijst op ziekte, op vermoeidheid, op ouderdom. Het hart vertelt zijn verhaal niet alleen in zijn frequentie, maar evenzeer — en soms meer — in zijn schommelingen.
Vergelijkbare observaties komen inmiddels uit andere hoeken. Slaap die zich nacht na nacht in hetzelfde patroon voltrekt, blijkt vaak een aanwijzing voor onderliggende ontregeling. Hormonale curves die hun gebruikelijke dagelijkse beweeglijkheid verliezen, doen vermoeden dat er iets te repareren valt. En in de psyche, zo lijkt onderzoek van onder anderen Marieke Wichers, Laura Bringmann en hun Groningse collega's te suggereren, voltrekt zich een vergelijkbaar verhaal. Een depressie kondigt zich niet zelden aan als een verstomming van de gezonde dagelijkse variatie. De pieken vlakken af, de dalen worden trager, het systeem houdt op met ademen op zijn eigen ritme.
Twee patiënten, hetzelfde gemiddelde
Het is een opmerkelijke gedachte, en zij staat enigszins haaks op een aanname die diep in onze diagnostiek verankerd is. De gebruikelijke vragenlijst meet de gemiddelde toestand van de afgelopen twee weken, en gaat ervan uit dat dit gemiddelde representatief is voor wat zich in dat tijdvak afspeelde. Maar twee patiënten met identieke gemiddelden kunnen in een onderliggende dynamiek volstrekt verschillend opereren. De ene flexibel, beweeglijk, in staat om mee te buigen met wat de week aanreikt. De andere monotoon, voorspelbaar, vastgeklonken aan één plek in de toestandsruimte.
Wat zou het kunnen betekenen wanneer dit onderscheid in de praktijk hanteerbaar werd? Allereerst dat 'herstel' iets anders zou zijn dan een lager getal op een schaal. Het zou ook — en misschien wel vooral — een terugkeer betekenen van levendige variatie. Een gevoelsspectrum dat zich weer aandurft te roeren. Een dag die niet meer op de vorige hoeft te lijken om dragelijk te zijn.
Vele namen voor één verschijnsel
In de complexiteitswetenschap kent dit fenomeen meerdere namen. Het wordt soms entropie genoemd, soms dimensionaliteit, soms simpelweg vrijheidsgraden. Hermann Haken sprak liever over order parameters: variabelen op een hoger niveau die het gedrag van een complex systeem beschrijven. Welke benaming ook wordt gekozen — een gezond menselijk systeem laat zich, zo lijkt het, herkennen aan zijn rijkdom, niet aan zijn rust.
"Niet de afwezigheid van klachten, maar de aanwezigheid van flexibiliteit lijkt het beste merkteken van herstel." — vrij naar Schiepek & Wichers
Consequenties voor de spreekkamer
Voor de diagnostiek heeft deze gedachte consequenties. Wie een patiënt zou vragen om enkele weken lang twee keer per dag een korte vragenlijst in te vullen, beschikt al snel over een dataset waarin de gemiddelde toestand slechts één van vele leesbare aspecten is. De vorm van de schommelingen, de samenhang tussen variabelen, de mate waarin het systeem na een tegenslag terugkeert naar zijn evenwicht — dit zijn even sprekende grootheden, zo niet sprekender. Het werk van Borsboom en Fried op het terrein van netwerkanalyse, en van Olthof en Lichtwarck-Aschoff op het terrein van dynamische metingen, brengt deze manier van kijken steeds dichter bij de Nederlandse spreekkamer.
Dit alles vraagt niet om een radicale herziening van wat wij doen. Het vraagt eerder om een aanvulling op wat wij meten. En het vraagt om een zekere bereidheid om te accepteren dat 'gezondheid' niet altijd hetzelfde betekent als 'rust'. Soms is een patiënt die meer schommelt dan een week geleden niet zieker, maar juist beweeglijker geworden — een onderscheid dat het lezen van een grafiekje, zonder klinische blik, niet zelden ontgaat.