№ 01
Simpel · Gecompliceerd · Complex
Een uurwerk is gecompliceerd: veel onderdelen, voorspelbaar. Een mens is complex: niet op te tellen uit onderdelen.
№ 02
Ergodiciteit (of de afwezigheid ervan)
Wat geldt voor de groep, geldt zelden voor één persoon. Molenaar liet zien: gemiddelden liegen.
№ 03
Idiografisch
De studie van het enkelvoudige geval. Eén persoon, vaak gemeten, over tijd. De inhoud van een leven.
№ 04
Entropie
De maat voor de onvoorspelbaarheid van een systeem. Hoge entropie = beweeglijk, lage entropie = vastgelopen.
№ 05
Attractoren
De patronen waar een systeem steeds naartoe trekt. Sommige zijn gezond. Sommige zijn precies het probleem.
№ 06
Faseovergangen
De plotselinge sprongen — beter, slechter, anders. Wat gisteren stabiel was, is morgen ineens iets nieuws.
№ 07
Feedback (terugkoppeling)
Hoe een uitkomst de volgende stap beïnvloedt. Vicieuze cirkels en opwaartse spiralen werken op dezelfde wet.
№ 08
Emergentie
Eigenschappen die opduiken op een ander niveau dan waar je ze zocht. Bewustzijn uit neuronen. Een file uit auto's.
№ 09
Zelf­organisatie
Orde die ontstaat zonder dirigent. Een systeem dat zijn eigen patronen vindt — voor zover je het laat.
№ 10
Vroege waarschuwings­signalen (critical slowing down)
Hoe een systeem aankondigt dat het op het punt staat om te kantelen. Subtiel. Meetbaar. Krachtig.
№ 11
Fractalen
Patronen die zichzelf op verschillende schalen herhalen. Een romanesco, een boom, een rivier — en misschien een dag, week en jaar van een patiënt.
№ 12
Cycli en ritmes
Terugkerende patronen in tijd. Slaap-waakritme, weekritme, stemmingscyclus — een mens loopt op meerdere klokken tegelijk.
№ 13
Chaos
Niet wanorde, maar gevoeligheid. Een deterministisch systeem dat door minuscule verschillen onvoorspelbaar wordt.
№ 14
Bifurcaties
Het moment waarop een systeem twee kanten op kan. Een onderkant van wat we soms 'kantelmoment' noemen.
№ 15
Synergetiek
De wetenschap van zelforganisatie. Hoe vele kleine delen samen een nieuwe orde laten ontstaan.
№ 16
Ordeparameter
De grootheid die het gedrag van het geheel beschrijft — en de delen op haar beurt ordent.
№ 17
Controleparameter
De knop waaraan je draait. Niet de uitkomst, maar de voorwaarde die haar mogelijk maakt.
№ 18
Fasenruimte
De denkbeeldige ruimte van alle toestanden die een systeem kan aannemen.
№ 19
Trajectorie
De baan die een systeem door de tijd aflegt. De route over de kaart.
№ 20
Dissipatie
Waarom orde energie kost — en levende systemen openstaan om te kunnen bestaan.
№ 21
Recursiviteit
Wanneer de uitkomst van een stap de invoer van de volgende wordt.
№ 22
Kritische instabiliteit
De onrust die aan een omslag voorafgaat. Geen ontsporing, maar een voorbode.
№ 23
Vlindereffect
Waarom kleine verschillen grote gevolgen kunnen hebben.
№ 24
Generieke principes
De condities die zelforganisatie in veranderingsprocessen waarschijnlijker maken.
№ 25
Dynamische complexiteit
Een maat die de rijkdom van een verloop vat: amplitude, frequentie en spreiding in één.

We breiden dit lexicon de komende maanden uit met spreekkamer­voorbeelden, leeslijsten per term, en — waar mogelijk — kennisclips. Suggesties zijn welkom.