Kritische instabiliteit
De onrust die aan een omslag voorafgaat — geen ontsporing, maar een voorbode.
Kritische instabiliteit verwijst naar de sterke schommelingen die optreden vlak voordat een systeem van de ene orde naar de andere overgaat. Het zijn, in de woorden van de synergetiek, de voorboden van een ordeovergang in zelforganiserende processen.
Wanneer een systeem zich tussen twee patronen bevindt — de oude orde verliest haar greep, de nieuwe staat nog niet vast — ontstaat een tussentoestand die door onrust en grote fluctuaties wordt gekenmerkt. Toeval en onvoorspelbaarheid spelen dan een grote rol. Men onderscheidt overgangen waarbij uit wanorde orde ontstaat van overgangen tussen verschillende vormen van dynamische orde; in beide gevallen zijn het juist deze kritische fluctuaties die de overgang aankondigen.
Onrust als kantelpunt, niet als terugval
Voor de klinische praktijk is dit een belangrijk en bemoedigend inzicht. Een toename van schommelingen — een patiënt die wisselvalliger wordt, bij wie stemming en klachten heftiger heen en weer gaan — hoeft geen teken van verslechtering te zijn. Het kan, voorzichtig geformuleerd, juist een voorbode zijn van een ophanden zijnde herordening. Schiepek en collega's hebben laten zien dat zulke kritische fluctuaties in therapieverlopen meetbaar zijn en vaak voorafgaan aan een betekenisvolle verandering.
Dit raakt aan de vroege waarschuwingssignalen die elders in dit lexicon worden besproken. Het vraagt van de behandelaar een zekere tolerantie voor onrust: niet elke toename van instabiliteit hoeft onmiddellijk te worden gedempt. Soms is het verdragen van een fase waarin de uitkomst nog niet vaststaat, juist de voorwaarde waaronder het nieuwe zich kan aandienen.