Entropie
Van thermodynamica naar therapie: hoe een natuurkundig begrip iets vertelt over rigiditeit.
Entropie is naar onze indruk een van de mooiste begrippen uit de natuurkunde, en tegelijk een van de meest verwarrend toegepaste. Doorgaans verwijst het — globaal — naar de mate van onvoorspelbaarheid of wanorde in een systeem.
In de thermodynamica is entropie de maat voor het aantal microscopisch verschillende toestanden waarin een systeem kan zijn, gegeven wat we macroscopisch waarnemen. Een kop gloeiend hete koffie en een kop ijskoude koffie verschillen op macroniveau enorm — maar de hete koffie heeft veel meer microscopische configuraties die corresponderen met diezelfde temperatuur. Hoge entropie betekent dus: veel mogelijkheden, veel beweeglijkheid, weinig structuur.
De tweede hoofdwet en de richting van tijd
De tweede hoofdwet van de thermodynamica zegt dat de entropie van een gesloten systeem altijd toeneemt. Een studentenkamer wordt vanzelf rommelig, niet vanzelf opgeruimd. Een kop koffie koelt af. IJsblokjes smelten. De entropie groeit.
Wat maakt het dan dat we in een open systeem (een levend wezen, een ecosysteem, een mens) tóch geordende structuren zien? Het antwoord is dat open systemen energie van buiten opnemen — voedsel, zonlicht, warmte — en daarmee lokaal de entropie kunnen verlágen, ten koste van een entropietoename elders. Levende systemen "vechten" tegen de tweede hoofdwet, zoals Ilya Prigogine het noemde, en de moeite die dat kost is precies wat we leven noemen.
Entropie in psychologische tijdreeksen
De toepassing in psychologische data is een aparte. Daar gebruiken we vaak sample entropy of permutation entropy: maten voor hoe voorspelbaar een tijdreeks is. Een patiënt die elke dag exact hetzelfde stemmingsverloop heeft, heeft lage entropie in haar stemming. Een patiënt die elke dag andere patronen vertoont, heeft hoge entropie.
"In de klinische praktijk lijkt zowel te veel als te weinig entropie problematisch. Te veel: chaos en instabiliteit. Te weinig: rigiditeit en vastgelopen patronen."
Dat is een belangrijke nuance. Een gezond systeem heeft een middelgrote entropie — genoeg variatie om zich aan veranderende omstandigheden aan te passen, genoeg stabiliteit om herkenbaar zichzelf te blijven. Te lage entropie zien we bij depressie (alles voelt hetzelfde, gedrag vastgeroest), bij obsessieve patronen, bij sommige vormen van trauma. Te hoge entropie zien we bij sommige vormen van angst, bij dissociatie, bij acute crises.
Wat dat in de praktijk betekent
Het bruikbare van entropie als concept zit niet in een precieze meting (die is methodisch lastig), maar in de manier waarop het ons doet kijken. Een patiënt die zegt "het is altijd hetzelfde" beschrijft een systeem met te lage entropie. Een patiënt die niet weet wie ze morgen zal zijn beschrijft een systeem met te hoge entropie. In beide gevallen is het herstellen van een gezonde middelgrote entropie — flexibel, maar niet stuurloos — een waardig doel.
Schiepek heeft entropiematen als een van de indicatoren in zijn Synergetic Navigation System geïntegreerd. Een sterke daling in entropie kan, in zijn werk, een vroeg waarschuwingssignaal zijn voor een naderende faseovergang in het therapieproces — soms ten goede, soms ten kwade.