Chaos
Niet wanorde, maar gevoeligheid. Een deterministisch systeem dat door zijn gevoeligheid voor beginvoorwaarden onvoorspelbaar wordt.
In het dagelijks spraakgebruik staat chaos doorgaans voor wanorde. In de wiskunde en natuurkunde betekent het iets heel anders, en het is goed daar het onderscheid in te maken — anders krijg je een term die overal en nergens op slaat.
Een chaotisch systeem in technische zin wordt doorgaans omschreven als een systeem dat deterministisch is (de wetten staan vast) en tegelijk in de praktijk onvoorspelbaar kan zijn. Niet omdat we de wetten niet kennen, maar omdat het systeem zo gevoelig is voor zijn beginvoorwaarden dat een minuscule afwijking aan het begin tot enorm verschillende uitkomsten leidt verderop in de tijd.
De meteoroloog Edward Lorenz ontdekte dit per ongeluk in 1961. Hij draaide een weersimulatie op zijn computer en wilde een onderdeel ervan herhalen. Om tijd te sparen voerde hij zijn beginwaarden in met drie decimalen in plaats van de oorspronkelijke zes. Hij verwachtte een vergelijkbaar resultaat. Wat hij kreeg was een weersbeeld dat na een paar dagen volkomen anders was. De kleine afronding had zich vermenigvuldigd tot een onherkenbaar ander weer. Lorenz noemde het later het butterfly effect: een vlinder die in Brazilië wappert met haar vleugels kan in principe een tornado in Texas veroorzaken.
Wat chaos níet is
Wat hier wordt bedoeld is, naar wij menen, geen wanorde. Een chaotisch systeem heeft structuur. Het loopt rond op een attractor — een soort baan in de dynamiek waarop het systeem zich beweegt. De attractor van Lorenz heeft de vorm van twee aan elkaar verbonden vleugels (vandaar de naam). Het systeem zwerft op die attractor, en welke kant het op gaat is op korte termijn niet exact te voorspellen, maar de grote vorm — de attractor zelf — is voorspelbaar.
Chaos is daarom een soort gestructureerde onvoorspelbaarheid. We weten ongeveer in welke domeinen het systeem zich beweegt, maar niet wanneer het precies waar zit.
En in de psyche?
Of menselijk functioneren werkelijk chaotisch is in deze technische zin, blijft vooralsnog een open vraag. Er zijn studies die aanwijzingen vinden in EEG-data, in hartritme, in stemmingstijdreeksen. Maar het is moeilijk om strict chaos te onderscheiden van gewone ruis met veel ruis. Wie te enthousiast spreekt over "chaos", zegt soms in werkelijkheid: "wij begrijpen het nog niet".
Wat ons wel nuttig lijkt, is het besef dat zelfs eenvoudige psychologische systemen zich op zo'n wijze kunnen gedragen dat exact voorspellen niet goed mogelijk is — niet enkel door gebrek aan kennis, maar mogelijk door de aard van het systeem zelf. Dit zou enkele praktische gevolgen kunnen hebben.
Drie praktische gevolgen
Ten eerste: als een patiëntsysteem chaos-achtige eigenschappen heeft, is "wat gaat er morgen gebeuren?" een vraag waarop we eerlijk gezegd geen exact antwoord kunnen geven. We kunnen wel aangeven binnen welke domeinen het zich beweegt.
Ten tweede: kleine interventies kunnen op langere termijn onverwacht grote uitkomsten hebben. Of geen enkele. Dat maakt timing belangrijker dan dosering.
Ten derde: een rommelige tijdreeks is niet noodzakelijk een rommelige patiënt. Soms is het de aard van het systeem. Daar moeten we onze metingen op aanpassen — niet door meer ruis te verwijderen, maar door anders naar de patronen te kijken.
Chaos in de wiskundige zin is een nuttig idee, maar als toelichting voor wat je in de spreekkamer ziet eerder een waarschuwing dan een verklaring: verwacht niet dat dit lineair voorspelbaar is, ook al is het deterministisch.