№ 21

Recursiviteit

Wanneer de uitkomst van een stap de invoer van de volgende wordt — en het systeem op zichzelf gaat inwerken.

Recursiviteit, of iteratie, duidt op het verschijnsel dat componenten van een systeem terugbuigend op elkaar inwerken: de uitkomst van een bewerking wordt de invoer van de volgende. Door die herhaalde terugkoppeling ontstaan toestandsreeksen die uit de werking van operaties op operaties voortkomen.

Het is een van de stille motoren achter complex gedrag. Chaos, zo merkt Schiepek op, vloeit voort uit de vernetting van componenten die recursief op elkaar inwerken. Drie dingen zijn daarvoor nodig: gemengde terugkoppeling — positief en negatief feedback die samenwerken — ten minste enige niet-lineariteit in de wisselwerking, en een minimale waarde van een relevante controleparameter. Waar die voorwaarden samenkomen, kan een systeem uit eenvoudige, herhaalde regels verbluffend rijk gedrag laten ontstaan.

Zichzelf voedende patronen

In de klinische context maakt recursiviteit begrijpelijk waarom scommige patronen zo hardnekkig zijn. Een gedachte voedt een gevoel, dat een gedrag oproept, dat de oorspronkelijke gedachte bevestigt — en de lus is rond. Niet één schakel is de oorzaak; het is de terugkoppeling zelf die het patroon in stand houdt. Wie vastloopt, zit naar onze indruk vaak gevangen in zo'n zichzelf voedende kring.

Tegelijk biedt ditzelfde inzicht hoop. Een recursief patroon kan ook ten goede kantelen: verandert één schakel duurzaam, dan kan de hele lus zich heroriënteren. Dat verklaart waarom een ogenschijnlijk kleine, maar volgehouden verschuiving soms een onverwacht grote uitwerking heeft — en waarom timing, het moment waarop een interventie de kring raakt, er zozeer toe doet.