Le Roy en de Ecokathedraal
Een eigenzinnige Friese tuin van gestapeld puin, en wat zij ons kan herinneren over zelforganisatie, emergentie en de kunst van het niet-ingrijpen.
In Mildam, een dorp in de gemeente Heerenveen, ligt een bouwwerk dat zich aan elke gebruikelijke beschrijving onttrekt. Geen architect heeft het ontworpen, geen blauwdruk lag eraan ten grondslag, en geen enkele steen is met cement vastgezet. Het heet de Ecokathedraal, en het is — zo zou men kunnen zeggen — een levend pleidooi voor het idee dat orde niet altijd van bovenaf hoeft te worden opgelegd.
De maker was Louis le Roy (1924–2012), kunstenaar en — een woord dat hij zelf verkoos — ecotect. In de jaren zestig verwierf hij een perceel van ruim een hectare, plantte er op volstrekt willekeurige wijze bomen en zaden, en begon vervolgens het bouwafval van stratenmakers — klinkers, stoeptegels, betonblokken — droog te stapelen tot muren en torens, sommige tot acht meter hoog. Daarna trad hij, voor zover dat een mens gegeven is, een stap terug. Natuur en tijd zouden zijn werk overnemen, en dat, zo benadrukte hij telkens, was precies de bedoeling.
Op een informatiebord bij het terrein staat een zin van zijn hand die ons trof, en die de aanleiding vormt voor dit stuk:
„Laat de chaos zijn werk doen, tot het geheel een complexiteit vormt die vanzelf ontstaat.”
Het is, voor wie zich met de complexiteitswetenschap bezighoudt, een opmerkelijk precieze formulering. Le Roy was geen systeemtheoreticus, en toch raakt deze zin aan iets dat in onze discipline een naam heeft: zelforganisatie.
Wat de stenen niet doen
De gebruikelijke aanname luidt dat structuur een bouwmeester veronderstelt — een ordenende hand die van tevoren weet hoe het geheel eruit moet komen te zien. Le Roy bestreed die aanname in de praktijk. Hij sorteerde het puin, hij stapelde, hij plantte — en liet vervolgens los. De vorm die daarna ontstond, was niet door hem bedacht. Zij kwam voort uit de wisselwerking tussen de stenen, de zaden, het weer, de tijd en de talloze organismen die zich gaandeweg in het bouwwerk vestigden.
In de taal van de complexiteitswetenschap heet dit emergentie: het verschijnen van een ordening op het niveau van het geheel die niet herleidbaar is tot, en niet was te voorspellen uit, de afzonderlijke onderdelen. Niemand heeft de Ecokathedraal in haar huidige gedaante ontworpen, en toch is zij onmiskenbaar geordend. De orde zat niet in een plan; zij ontstond uit interactie. Dat een mens, werkend zonder cement en zonder ontwerp, een dergelijke vorm tevoorschijn kan láten komen, is — zo denken wij — een aanschouwelijker les dan menig leerboek biedt.
De moed om niet in te grijpen
Er is een tweede element dat ons aan het denken zette, en het ligt subtieler. Le Roy's belangrijkste handeling was niet het stapelen, maar het wachten. Hij weigerde de natuur te corrigeren wanneer zij een richting koos die hij niet had voorzien. Het mos dat de stenen overwoekerde, de boom die zich op een onverwachte plek wortelde, de verzakking die een muur deed kantelen — het waren voor hem geen fouten, doch onderdelen van het proces. Ingrijpen zou betekenen dat hij zijn eigen ordening oplegde aan een systeem dat juist zijn rijkdom ontleende aan het mogen afwijken.
Hier raakt het verhaal aan iets dat de behandelaar zal herkennen. In de spreekkamer zit de neiging diep om te corrigeren, bij te sturen, het proces naar een vooraf bedachte uitkomst te leiden. En soms is dat ook nodig. Maar de complexiteitswetenschap herinnert ons eraan dat een complex systeem zich niet altijd láát sturen op de wijze die wij ons voorstellen, en dat het loslaten van de controle — het verdragen van een fase waarin de uitkomst nog niet vaststaat — geen tekortschieten hoeft te zijn, maar een voorwaarde voor verandering.
Wij formuleren dit met opzet behoedzaam. Het gaat ons niet om een romantisch pleidooi voor passiviteit; een mens in nood verdient geen behandelaar die toekijkt zoals men naar een tuin kijkt. Het gaat om iets nauwkeurigers: om het onderscheid tussen sturen en forceren, tussen het scheppen van condities waaronder iets nieuws kan ontstaan, en het opleggen van een vorm die het systeem niet uit zichzelf zou hebben gevonden. Le Roy schiep condities. De complexiteit deed de rest.
Tijd als bondgenoot
Wat de Ecokathedraal vooral vraagt, is geduld op een schaal die ons bijna ongemakkelijk maakt. De stichting die het werk beheert, denkt niet in jaren maar in eeuwen; het streven is het bouwwerk tot ver in het derde millennium te laten voortbestaan, opdat zich een zo rijk mogelijk ecologisch systeem kan ontwikkelen. Tijd is hier geen obstakel dat overwonnen moet worden, maar de eigenlijke bouwmeester.
Ook dat laat zich, met de nodige bescheidenheid, naar onze praktijk vertalen. Veel van wat in een behandeling van betekenis is, voltrekt zich niet op het tempo van het behandelplan. Een systeem heeft tijd nodig om een oude ordening los te laten en een nieuwe te vinden — en die tijd valt niet altijd samen met het aantal sessies dat een vergoedingskader toestaat. De Ecokathedraal herinnert eraan dat sommige vormen van orde zich eenvoudigweg niet laten haasten.
Een bescheiden conclusie
Wij willen de vergelijking niet verder oprekken dan zij dragen kan. Een mens is geen tuin, en een psychische ontwrichting is geen stapel stenen die men aan de natuur kan overlaten. Analogieën zijn geen bewijzen, en de Ecokathedraal bewijst niets over de GGZ.
En toch. Wie tussen die overwoekerde muren staat, ziet met eigen ogen wat in de complexiteitswetenschap zo moeilijk in woorden is te vatten: dat orde kan ontstaan zonder ontwerper, dat loslaten geen synoniem is van opgeven, en dat tijd, mits men haar haar gang laat gaan, een vorm van zorg kan zijn. Le Roy noemde zich een tijdrebel. Misschien, zo denken wij, valt er voor de GGZ iets van die rebellie te leren.